Moet ik inkomstenbelasting betalen?

Moet ik inkomstenbelasting betalen? Moet ik inkomstenbelasting betalen? Dat is ieder jaar weer een veelgestelde vraag. Om deze vraag te beantwoorden, is het belangrijk om inzicht te krijgen in heffingskortingen en aftrekposten. Het is daarnaast ook van belang om een uitstapje te maken naar loonheffing en de voorlopige aanslag. Al deze elementen zorgen ervoor dat men de inkomstenbelasting beter kan begrijpen en inzicht kan krijgen in de vraag of men inkomstenbelasting moet betalen.

Wet op de Inkomstenbelasting

De Wet op de Inkomstenbelasting (hierna: Wet IB 2001) is de wet die de heffing van belasting over inkomen regelt. De wet regelt de belasting die wordt geheven van natuurlijke personen. Onder natuurlijke personen worden u en ik verstaan, niet zijnde rechtspersonen zoals een besloten vennootschap of naamloze vennootschap. De Wet IB stamt uit 2001 en sindsdien is het voor de burger zeer inzichtelijk wanneer hij belasting moet betalen.
Art. 2.3 Wet IB 2001 vertelt ons dat inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten:
  • a. belastbare inkomen uit werk en woning;
  • b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang;
  • c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Dit worden ook wel de drie boxen genoemd. Al deze drie boxen zullen verderop nader worden toegelicht.

Het is belangrijk om te realiseren dat de inkomstenbelasting een aanslagbelasting is. Dit betekent dat de belastinginspecteur de belastingschuld vaststelt. Dit doet hij echter met behulp van de belastingaangifte die u ieder jaar moet doen. De belastingaangifte is dan slechts een hulpmiddel.

De belastingtarieven

Voor iedere box geldt een eigen tarief. Voor het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) geldt een progressief belastingtarief. De marginale belastingdruk neemt toe naarmate het belastbare inkomen toeneemt. Het belastingstelsel voor deze box is dan ook ingedeeld in vier schijven. Iedere schijf kent zijn eigen tarief.

Voor het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) geldt normaliter een proportioneel belastingtarief. Dit houdt in dat het percentage altijd gelijk is, ongeacht de grootte van het inkomen. Er kunnen zich uitzonderingen voordoen, zoals in 2014. In dat jaar betaalde men voor een inkomen uit aanmerkelijk belang tot 250.000 een lager tarief dan voor een hoger inkomen.

Bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) hanteert de wetgever ook een proportioneel belastingtarief. Er dient echter te worden opgemerkt dat niet het werkelijke inkomen uit sparen en beleggen wordt belast, maar een fictief inkomen. De wetgever gaat er namelijk vanuit dat een natuurlijk persoon een bepaald rendement met zijn spaargeld behaalt. Dit fictieve rendement wordt dan belast.

Belastbare inkomen uit werk en woning

Het belastbare inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning (art. 3.1 en verder Wet IB 2001).
Het inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:
  • a. de belastbare winst uit onderneming;
  • b. het belastbare loon;
  • c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden;
  • d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
  • e. de belastbare inkomsten uit eigen woning;
  • f. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
  • g. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten;

verminderd met:
  1. de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld;
  2. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
  3. de persoonsgebonden aftrek.

De belangrijkste bovengenoemde posten zullen hieronder kort worden toegelicht en de persoonsgebonden aftrek komt later apart aan bod.

De belastbare winst uit onderneming wordt genoten door zelfstandige ondernemers, vrije beroepsbeoefenaren, maten in een maatschap, firmanten in een vennootschap onder firma en medegerechtigden tot het vermogen van een onderneming (afdeling 3.2 Wet IB 2001).

Het belastbare loon is al het loon wat wordt genoten uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking zoals een pensioen (art. 10 Wet op de Loonbelasting 1964). Dit loon wordt zowel bij de berekening van loonbelasting als inkomstenbelasting gebruikt. Betaalt men dan twee keer belasting over hetzelfde inkomensbestanddeel? Nee, volgens art. 9.2 Wet IB 2001 is de loonbelasting een voorheffing op de inkomstenbelasting en volgens art. 15 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen mogen voorheffingen in mindering worden gebracht op de aanslag. De werkgever moet zorg dragen voor de afdracht van loonbelasting. Op deze manier is de overheid zekerder van zijn inkomsten.

Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden is al het resultaat uit werkzaamheden die niet in een onderneming en niet in een dienstbetrekking zijn verricht (art. 3.90 Wet IB 2001). Als iemand structureel producten aanbiedt op Marktplaats, dan kan dit gezien worden als resultaat uit overige werkzaamheden.

De belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn bijvoorbeeld bijstandsuitkeringen en alimentatie. Deze vorm van inkomen wordt behandeld in afdeling 3.5 Wet IB 2001.

De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de positieve en negatieve inkomsten die men heeft uit een tot een hoofdverblijf dienende woning. Het voordeel is in veel gevallen het zogenaamde eigenwoningforfait. Het zijn echter met name de negatieve inkomensbestanddelen waardoor deze vorm van inkomen bekend is. De hypotheekrenteaftrek is een vorm van negatief inkomen uit eigen woning. Deze is meestal groter dan het positieve inkomen uit eigen woning en daarom zullen de belastbare inkomsten uit eigen woning vrijwel altijd negatief zijn. De belastbare inkomsten uit eigen woning kunnen nooit positief zijn. Dat komt door de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, die hieronder zal worden behandeld.

De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is een aftrek ter grootte van het positieve saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning (art. 3.123a Wet IB 2001). Deze aftrekpost is het gevolg van de wet Hillen. Hans Hillen vond het namelijk onaanvaardbaar dat mensen die netjes hun hypotheek (bijna) hadden afgelost, daarvan de gevolgen ondervonden door middel van een positief saldo van het belastbare inkomen uit eigen woning.

Belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang

Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd met de te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang (art. 4.1 en verder Wet IB 2001). Volgens deze zelfde wet is het inkomen uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van:
  • a. de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, de zogenaamde reguliere voordelen, verminderd met de aftrekbare kosten; en
  • b. de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, of bij de vervreemding van een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten, de zogenaamde vervreemdingsvoordelen, verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover het niet mogelijk is deze in box 1 en box 3 in aanmerking te nemen.

Simpel gezegd heeft men een aanmerkelijk belang als men ten minste 5% van het totaal aantal geplaatste aandelen van een vennootschap bezit.

Belastbare inkomen uit sparen en beleggen

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover deze niet in box 1 in aanmerking kan worden genomen. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op een forfaitair rendement van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar voor zover deze rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen (art. 5.2 Wet IB 2001).

Wat is persoonsgebonden aftrek?

De persoonsgebonden aftrek is de hoeveelheid die op de belastbare inkomens uit de drie boxen in minder mag worden gebracht. De persoonsgebonden aftrek (art. 6.1 Wet IB 2001) is het gezamenlijke bedrag van:
  • a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten; en
  • b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

Onder persoonsgebonden aftrekpost vallen onder andere: uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar die geen studiefinanciering krijgen en voor wie de belastingplichtige of een lid van zijn huishouden geen kinderbijslag krijgt, studiekosten en uitgaven voor specifieke zorgkosten. Ze zijn allemaal in afdeling 6 van de Wet IB 2001 te vinden.

Er is een bepaalde volgorde van hoe van de persoonsgebonden aftrek moet worden toegepast op de drie boxen. Dit is geregeld in art. 6.2 Wet IB 2001. Allereerst komt de persoonsgebonden aftrek in minder op het inkomen uit werk en woning (box 1) van het kalenderjaar, maar niet verder dan nihil. Voor zover de persoonsgebonden aftrek niet (volledig) in mindering kan worden gebracht op het inkomen uit werk en woning, wordt het afgetrokken van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Het vermindert echter ook dit inkomen niet verder dan tot nihil. De resterende persoonsgebonden aftrek vermindert nu het inkomen uit sparen en beleggen van het kalenderjaar. Het is mogelijk dat de persoonsgebonden aftrek niet in zijn geheel in mindering kan worden gebracht op het inkomen in box 1, box 2 en box 3. Het resterende gedeelte kan nu in aanmerking worden genomen in het eerstvolgende jaar waarin wel sprake is van voldoende inkomen (art. 6.1 lid 1 onderdeel b).

Wat zijn heffingskortingen?

Onder inkomstenbelasting wordt dus verstaan het geheel aan belasting die verschuldigd is over het inkomen verdiend in box 1, box 2 en box 3. Echter dit betekent niet meteen dat al deze belasting ook betaald moet worden. Er zijn namelijk zogenaamde heffingskortingen. Een heffingskorting vermindert de te betalen belasting voor de belastingplichtige (art. 2.7 Wet IB 2001). Bij de heffingskortingen wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. Mogelijke heffingskortingen staan in art. 8.2 Wet IB 2001. Voor iedereen geldt de zogenaamde algemene heffingskorting van art. 8.10 Wet IB 2001. Daarnaast is er ook nog onder andere een zogenaamde arbeidskorting voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet (art. 8.11).

De meeste heffingskortingen worden verrekend met uw loon of uitkering. Dit betekent dat uw werkgever of uitkeringsinstantie automatisch rekening ermee houdt. Of u wenst dat uw werkgever hiermee rekening houdt, kunt u echter meestal zelf aanvinken op een van de formulieren die u van uw nieuwe werkgever krijgt. Vinkt u aan dat u heffingskortingen wil, dan zijn dit de heffingskortingen waarvoor u niets hoeft te doen: algemene heffingskorting, arbeidskorting, heffingskortingen voor mensen die AOW ontvangen, tijdelijke heffingskorting voor vroeggepensioneerden, jonggehandicaptenkorting, levensloopverloopkorting. De overige heffingskortingen dient u aan te vragen bij de Belastingdienst.

Hoe bereken ik de verschuldigde inkomstenbelasting?

  1. Allereerst dient men afzonderlijk het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) te berekenen. Hierbij neemt men dus ook al de persoonsgebonden aftrek in acht volgens de rangorderegels van art. 6.2 Wet IB 2001.
  2. Vervolgens moet men de berekende belasting over box 1, box 2 en box 3 optellen (art. 2.7 Wet IB 2001).
  3. Op dit totaalbedrag worden de heffingskortingen in aftrek gebracht.
  4. Vervolgens mag men eventuele voorheffingen in aftrek brengen (art. 15 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en art. 9.2 Wet IB 2001). Loonbelasting en dividendbelasting zijn voorbeelden van voorheffingen. Loonbelasting wordt bijvoorbeeld al door de werkgever van uw loon afgedragen. Het zou gek zijn als u dan in de inkomstenbelasting ook nog eens belasting over het loon moet betalen. Daarom is loonbelasting een voorheffing op de inkomstenbelasting en is het dus aftrekbaar.
  5. Wat nu resteert, is de verschuldigde inkomstenbelasting.

Waarom hoef ik geen inkomstenbelasting te betalen?

Er zijn grofweg twee belangrijke situaties te onderscheiden waarom u geen inkomstenbelasting hoeft te betalen:
  • Uw inkomsten bestaan vrijwel alleen maar uit loon. Uw werkgever heeft al loonbelasting voor u afgedragen en dit is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Als het goed is zullen de inkomstenbelasting en loonbelasting daarom gelijk zijn. Omdat u de al afgedragen loonbelasting in mindering mag brengen op de inkomstenbelasting hoeft u netto niets te betalen.
  • De door u verschuldigde inkomstenbelasting is lager dan de op u van toepassing zijnde heffingskortingen. Dit doet zich vooral bij jongeren voor, omdat zij nog niet zoveel verdienen.

Stel u voor dat u 18 jaar bent en een bijbaantje heeft in de supermarkt. U werkt 12 uur per week en verdient 6 euro bruto per uur. U verdient dan 3744 bruto op jaarbasis. Als we nu de verschuldigde inkomstenbelasting berekenen volgens het stappenplan in de vorige paragraaf, dan wordt het pas bij punt 3 interessant. Ook als u niet of heel weinig werkt heeft u recht op de algemene heffingskorting. Deze heffingskorting kan jaarlijks verschillen maar ligt rond de 2100. De verschuldigde inkomstenbelasting over die 3744 is zeker minder dan deze 2100, wat betekent dat u geen belasting hoeft te betalen.

Nieuwe werknemers moeten vaak een keuze maken tussen 'wel heffingskorting' of 'geen heffingskorting' als ze de formulieren voor hun werkgever invullen (meestal de modelopgaaf voor loonheffingen). Als werknemers invullen dat ze wel heffingskorting willen, dan houdt de werkgever al rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. In het voorbeeld van de supermarkt hierboven zal de werkgever zich realiseren dat er geen loonbelasting afgedragen hoeft te worden, omdat de heffingskortingen groter zijn dan de verschuldigde loonbelasting. Werkt u tegelijkertijd bij meer dan één werkgever? De Belastingdienst raadt u aan om maar bij één werkgever heffingskortingen aan te vragen. Dit kan echter betekenen dat u bij de 'tweede werkgever' wel belasting moet betalen, ook al bent u met uw twee baantjes samen niet meer belasting verschuldigd dan de heffingskortingen. In deze situatie kunt u geld terugvragen van de belasting. Dat zal in de volgende paragraaf worden uitgelegd.

Waarom krijg ik geld terug van de Belastingdienst?

In de volgende situaties kunt u geld terug krijgen van de Belastingdienst:
  • Er is te veel loonheffing ingehouden.
  • U hebt recht op bepaalde heffingskortingen of aftrekposten.
  • U hebt te veel belasting betaald via een eerdere voorlopige aanslag.

Zoals eerder gezegd, houdt de werkgever loonheffing in. Stel dat uw werkgever 11000 aan loonheffing heeft ingehouden op uw loon. U vult vervolgens de aangifte in en er blijkt dat u slechts 10500 verschuldigd bent. Het verschil van 500 krijgt u nu terug van de Belastingdienst.

Het kan echter ook zo zijn dat er loonheffing is ingehouden terwijl u geen belasting hoefde te betalen. Neem het voorbeeld van de vorige paragraaf. Als u twee werkgevers heeft, dan mag de tweede werkgever niet voor u de heffingskortingen toepassen. Dit kan betekenen dat u belasting betaalt terwijl u helemaal niet hoeft te betalen. U krijgt dan ook geld terug van de Belastingdienst.

In een eerdere paragraaf is uitgelegd dat uw werkgever of uitkeringsinstantie niet met alle heffingskortingen rekening houdt. De zogenaamde overige heffingskortingen dient u zelf aan te vragen bij de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat dus ook pas rekening houden met die heffingskortingen als u ze aanvraagt. Daarom kan het zijn dat u achteraf geld terugkrijgt omdat u voor een dergelijke heffingskorting in aanmerking komt.

Aan het begin van het jaar kunt u een bericht krijgen van de Belastingdienst waarin staat hoeveel belasting u moet betalen of terugkrijgt. Dit is de zogenaamde voorlopige aanslag. Dit is echter altijd een schatting die meestal is gebaseerd op belastingaanslagen van voorgaande jaren. Bij de definitieve berekening - aan het eind van het jaar - kan dus blijken dat u te veel belasting hebt betaald. U kunt dan dus achteraf geld terugkrijgen.
© 2014 - 2020 B-bbergkamp, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Geld terug van de Belastingdienst 2019 en 2020 (tips)Geld terug van de Belastingdienst 2019 en 2020 (tips)Belastingtips voor de belastingteruggave 2019 en 2020 zijn vaak welkom en kunnen ervoor zorgen dat u als particulier gel…
Aanrechtsubsidie 2015 minstverdienende partnerAanrechtsubsidie 2015 minstverdienende partnerHoe hoog is de aanrechtsubsidie 2015, ook wel algemene heffingskorting minst verdienende partner 2015 genoemd. Op welke…
Persoonsgebonden aftrek inkomstenbelasting verrekenenPersoonsgebonden aftrek inkomstenbelasting verrekenenBij uw aangifte inkomstenbelasting 2018, 2019, 2020 of een andere belastingaangifte komt u de post persoonsgebonden aftr…
Voorlopige aanslag 2020 inkomstenbelasting (teruggave)Voorlopige aanslag 2020 inkomstenbelasting (teruggave)In de voorlopige aanslag 2020 staat hoeveel inkomstenbelasting u terugkrijgt, waarop u recht hebt of hoeveel u moet beta…

Kinderopvangtoeslag 2015: kinderopvangtoeslagtabel 2015Kinderopvangtoeslag 2015: kinderopvangtoeslagtabel 2015De kinderopvangtoeslag 2015 is ongeveer gelijk aan die uit 2014. Waarop hebt u in 2015 recht? De kinderopvangtoeslagtabe…
Fiscale toeslagen 2016, 2017: nieuw belastingstelsel WiebesFiscale toeslagen 2016, 2017: nieuw belastingstelsel WiebesWelke fiscale toeslagen zijn er in 2016 en 2017 met het nieuw belastingstelsel van het kabinet Rutte en vooral Wiebes, o…
Bronnen en referenties
  • Hoofdzaken Belastingrecht (15de druk) van Boom fiscale uitgevers.
  • Rijksoverheid.nl

Reageer op het artikel "Moet ik inkomstenbelasting betalen?"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: B-bbergkamp
Gepubliceerd: 19-08-2014
Rubriek: Financieel
Subrubriek: Belasting
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!