Geld en Euro

Geld, wat is dat opa?

Geld, wat is dat opa?

Munten en bankbiljetten vormen een tastbare herinnering aan het verleden. Ze hebben een culturele waarde. Met de komst van de euro en het verdwijnen van de gulden leken we ons vast te klampen aan de laatste overgebleven symbolen van onze nationale eenheid. Toen de overgang van gulden naar euro werd aangekondigd heb ik veel onderzoek gedaan naar de oorsprong van geld en de emotionele waarde die geld ook voor ons heeft.


Om alvast een gedeelte van de bevolking mee te krijgen met het euro-beleid, werden er zogenaamde Euro-uitgiften gedaan, die het karakter kregen van een herdenkingspenning. “Een aardige manier om alvast aan de euro te wennen en tegelijkertijd gedenkwaardige thema’s onder de aandacht van een groot publiek te brengen”, aldus muntmeester Chris van Draanen. Op de eerste Nederlandse euro staat Pieter Cornelisz. Hooft centraal. De gestileerde duif en de gevleugelde Mercuriushelm op de keerzijde staan symbool voor vrede en voorspoed. Het ontwerp is vervaardigd door medailleur Willem Vis, die ook diverse Ecu’s ontworpen heeft.

Ruilen

Het begon ooit toen we spullen van iemand anders wilden hebben. Datgene wat wij in ons bezit hadden of datgene waar wij goed in waren, gingen we ruilen voor dingen die ons waardevol leken, natuurlijk altijd volgens de in die tijd geldende normen en waarden. En al gauw bleek, dat er een bepaald goed was, dat erg gewild was en dat werd op den duur gebruikt om de waarde van al het andere in uit te drukken. 8000 jaar v.C. was de os een rekeneenheid. Je kon een jonge slavin ruilen voor 200 ossen. Uit die tijd stamt ook het woord pecunia, dat is afgeleid van het Latijnse woord pecus, dat vee betekent. Ossen waren natuurlijk niet gemakkelijk mee te nemen en in de loop der tijd werd er gezocht naar ruilmiddelen die weinig bederfelijk en makkelijk te vervoeren waren. Dat was onder andere thee, tabak, bijenwas en (in vormen geperst) zout. Aan dat laatste ruilmiddel hebben we het woord salaris (sal=zout) te danken.

Pas in de tijd van de Grieken, 600 v.C., kwam het muntgeld er zoals wij het kennen, ronde stukjes metaal met soms een instempeling. Toen vond er in feite ook een grote verandering plaats. In plaats van goederen te ruilen, begonnen we nu te ruilen voor stukjes metaal. Er ging een nieuwe wereld voor ons open, want er kwam een grote verscheidenheid aan materiële zaken en diensten binnen ons bereik, omdat je minder afhankelijk was van de paar goederen of diensten die je te bieden had. Het was het begin van een uniform waarderings-systeem, alles was uit te drukken in één en dezelfde waarde-eenheid.

Muntslag

De eerste muntslag begon omstreeks 545 v.C. in Athene, de stad beschikte over eigen zilvermijnen in de buurt. De eerste muntserie was gebaseerd op de zilveren drachme, die was onderverdeeld in zes obolen. De termen drachme (=hand vol) en obelos (=prikstok om vee me op te drijven of braadspit) herinnerden nog aan de tijd van de ruilhandel. Soms waren ook de vormen van het metaal gebaseerd op de ruilhandel, zoals in Griekenland stukjes brons in de vorm van ossehuiden, in Mexico had het metaal de vorm van een bijlblad en in China de vorm van een mes. Veranderingen zijn op deze manier een samensmelting van vernieuwingen en verleden, het is de natuurlijke manier van de mens om het verleden te eren en los te laten en vernieuwingen makkelijker te verwelkomen. Een proces dat zijn tijd nodig heeft en niet geforceerd kan worden.

De veldtochten van Alexander de Grote (336-323 v.C.) hebben ook op het gebied van de munt grote veranderingen teweeg gebracht. Door de enorme rijkdommen aan goud en zilver die Alexander buit maakte bij zijn verovering van Perzië, werd de muntproduktie uitgebreid tot ongekende grootte. De tetra-drachme was een net zo belangrijke munt, als de Amerikaanse dollar nu. Ook toen gaf het volk al bijnamen aan geld. Op de voorzijde van de tetra-drachme stond de stadsgodin Athena en op de keerzijde de aan haar gewijde uil, zodat deze munt ook wel “uil” genoemd werd. Na Alexanders dood werd de afbeelding van zijn hoofd en profile afgebeeld. Het was de eerste keer dat een vorstenhoofd werd afgebeeld op een munt en in de loop der tijd hebben veel vorsten dit nagevolgd. De munten werden zo meer dan een stukje metaal, ze werden een symbool van een natie of een volk.

De afbeeldingen die op munten en later op papiergeld staan, hebben ook andere belangrijke functies gehad. In de tijd van de Romeinen werd het gebruikt als propagandamiddel. Er werden bijvoorbeeld veroveringen in oorlogen op afgebeeld of men gebruikte het voor de presentatie van een toekomstige troonopvolger. Ook het Christendom liet in de loop van de 4e eeuw zijn invloed gelden door het christogram of een engel op de munten af te beelden. In de 15e eeuw begon de muntmeester zijn eigen tekentje op de munt te zetten, als een soort van handtekening. Dat doen we nu nog, je kunt de tekentjes op onze munten zien als je ze goed bekijkt. Vroeger werd een ster, halve maan, palmtak of kruis gebruikt, een enkele hiervan wordt nu nog gebruikt. Het muntteken van ’s Rijks Munt te Utrecht is de mercuriusstaf. Andere bekende tekens van nu zijn een haantje of een vis. Dus behalve de waarde die munten vertegenwoordigen, hebben ze ook vaak andere informatie meegekregen.

Onze gulden was vroeger de Florentijnse gulden. Gulden kwam van gouden en onze muntaanduiding “fl.” komt van Florentijn. In 1252 was het de eerste gouden munt in Florence na een Noord-Italiaanse monetaire vernieuwing. Wij gingen ze namaken en in ongeveer 1350 werden ze in grote getale geslagen. Je zou het de voorloper van de euro kunnen noemen. Want we moeten niet vergeten dat onze zogenaamde Nederlandse muntstukken veelal hun basis hadden in andere landen. Onze daalder dankt zijn naam aan de joachimstaler, een zware zilveren munt die in 1519 in Joachimstal in Bohemen (nu Jachimov in Tsjechoslowakije) voor het eerst werd gemaakt. Zware zilveren munten werden al gauw talers genoemd en in Nederland noemde men ze jochemdaalder of gewoon daalder. Toen in 1566 de Saksische daalder werd opgenomen in de muntwetten van het Duitse Keizerrijk, werd de officiële naam “rijksdaalder”.

In de 17e eeuw hadden we in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zeven provinciale en zes stedelijke munthuizen, maar sinds 1807 heeft Nederland nog één munthuis, de Rijksmunt in Utrecht. De muntmeester wordt benoemd door de overheid.
In de middeleeuwen waren de muntmeesters, die werden benoemd door de regerende vorst, zelfstandige ondernemers. Het maken van geld was ondertussen uitgegroeid tot een grote onderneming. Het bedrijf bestond uit personeel, inkoop van het benodigde muntmetaal, de zorg voor de smeltovens en de gereedschappen. Verder was er een waardijn, die in dienst was van de vorst en toezag op het juiste gewicht van de munten en de juiste afdracht van de sleischat (= omzetbelasting), een deel van de opbrengst. In het muntatelier werkte ook de essayeur, een goed betaald vakman die het gehalte van het ingekochte edelmetaal bepaalde. Zo’n essayeur bepaalde het gehalte van het zilver door er een streep op een toetssteen mee te zetten van lidiet of kiezelklei en ernaast een kras te maken met een zilveren toetsnaald van een bekend gehalte. Door kleurvergelijking kon de essayeur vaststellen of het zilver het juiste gehalte had. Ook waren er nog de graveurs, die de stempels uit het staal sneden.

Veranderingen

In 1847 vond er wederom een grote verandering plaats. Er kwam een nieuwe muntwet, waarin de halve cent, de cent, de kwartjes, dubbeltjes en stuivers zogenaamde pasmunten werden, dat wil zeggen dat het zilvergehalte van bijvoorbeeld vier kwartjes niet gelijk was aan het zilvergehalte van één gulden. Er moesten ook nieuwe guldens en rijksdaalders gemaakt worden, daarom werden alle oude provinciale muntsoorten één voor één ingenomen, de dukatons, de zilveren rijders, de Zeeuwse rijksdaalders. Omdat deze oude munten in grote getale moesten worden omgesmolten, werden er muntbiljetten uitgegeven, om het tijdelijk tekort van munten tegen te gaan. Voor het eerst was er op grote schaal papiergeld als wettig betaalmiddel. Toen het publiek in 1851 de muntbiljetten weer kon inleveren voor de nieuwe muntstukken, had het inmiddels het gemak van de gegarandeerde biljetten ontdekt. Honderd gulden aan zilveren munten was natuurlijk een behoorlijke zware last, het woog al gauw een kilo. Eén biljet van honderd gulden vervoerde een stuk gemakkelijker.

In de nieuwe bankwet van 1903 werden deze muntbiljetten langzaamaan vervangen door bankbiljetten. Deze werden gedrukt en vormgegeven in Nederland door de drukker zelf, de Haarlemse firma Joh. Enschedé en Zonen. Enschedé beschikte namelijk als enige over een hogedrukprocédé en in combinatie met veel verschillende lettertypen was dat hopelijk een grote garantie voor het tegengaan van vervalsen.
In 1860 ging Enschédé over op het diepdrukprocédé en de bankbiljetten kregen nu steeds vaker hun uiterlijk door ontwerpers, b.v. een biljet van f25,- met een reliëfrand en uitgevoerd in het geel. In de volksmond bleef vanaf dat moment elk briefje van vijfentwintig gulden “een geeltje”. De “rooie rug” ontstond ook in 1860. Op de voorkant stond de tekst : “De Nederlandsche Bank betaalt Duizend Gulden aan Toonder” en op de achterkant stond in het rood het cijfer “1000”.

Symbolische waarde

Munten en bankbiljetten vormen een tastbare herinnering aan het verleden. Ze hebben een culturele waarde. Met de komst van de euro en het verdwijnen van de gulden leken we ons vast te klampen aan de laatste overgebleven symbolen van onze nationale eenheid. Zoals Jan Pen in het Parool van 29 maart 1997 zegt: “Sinds de Middeleeuwen ligt het in de lijn van de vooruitgang dat lokale geldsoorten verdwijnen. (…) Waar zijn we bang voor? Veel mensen weten niet precies wat de euro is en ze geloven dat de Italianen zich meester zullen maken van onze goudvoorraad. Maar als de euro er is kunnen we nog steeds buitenlands geld kopen, alleen wordt de hoeveelheid kleiner.”

Als je de geschiedenis van het geld bestudeert, zijn er vaak grote veranderingen geweest, waar de mensen geleidelijk aan aan moesten wennen. Altijd weer blijkt dat geld niet alleen een economisch aantrekkelijk ruilmiddel is, maar dat de mens er ook een emotionele band mee heeft. Het al of niet accepteren van bepaalde ontwerpen voor bankbiljetten, het geven van een soort “koosnaampjes” aan sommige bankbiljetten zijn hier een voorbeeld van. De handeling van het ruilen op zich is altijd erg belangrijk geweest, voor het ons bewust zijn van de waarde van iets en hoeveel we hebben en kunnen uitgeven. De veranderingen die bijvoorbeeld het voortschrijdende gebruik van plastic geld met zich meebrengt, betekent dat er geen zichtbare uitwisseling meer is van handel en dienst voor munten of biljetten, maar een vrij abstracte handeling van het ergens instoppen van je plastic kaartje, waar vervolgens iets onzichtbaars mee gebeurt, waarna je betaald hebt. Hoeveel je daarna nog over hebt, weet je niet. Vooralsnog is het voor ons duidelijker om bijvoorbeeld honderd euro in onze portemonnee te hebben en dat uit te geven aan de dingen die we willen kopen. Het is overzichtelijk en op is op. Maar sinds we steeds meer plastic kaartjes hebben, verschillende kaartjes voor verschillende doeleinden, met verschillende rekeningen bij banken, maar ook bij diverse grootwinkelbedrijven, dan ligt het gevaar op de loer, dat het een onoverzichtelijk gebeuren wordt, met de valkuil van meer uitgeven dan er binnenkomt.

Gelukkig heeft de geschiedenis ons ook geleerd, dat een mens zich goed kan aanpassen, al kost dat soms wat tijd. En daar moeten we ons bewust van zijn, dat we niet vanuit het oogpunt van economisch belang de veranderingen inzake euro’s en plastic geld zo snel mogelijk doorvoeren, maar dat alles wat met geld te maken heeft, te maken heeft met (ver-)krijgen en (uit-)geven, met emotionele en historische waarden. Geld is geen puur zakelijk belang, het is in de loop der geschiedenis ontstaan om datgene wat we wilden ruilen een waarde te geven, en zo gaven we onszelf een waarde. En dat is een heel belangrijk aspect, dat niet los gezien kan worden van het economische belang. Als je een schilderij verkoopt of je behangt bij iemand een kamer, en je bent gewend om daar honderd gulden voor te krijgen, voelt dat anders als je “nog maar” vijftig euro’s in je handje krijgt. Of als je je plastic kaartje in een apparaatje stopt, en je niet kunt zien wat je waard bent.

Als we het belang van deze emotionele waarde inzien, en er rekening mee trachten te houden door alle geldtransacties overzichtelijk en begrijpelijk te houden, dan zullen onze kleinkinderen misschien niet meer weten wat een gulden of misschien zelfs wat een euro is, maar hopelijk wel goed kunnen omgaan met alles wat voor hun waardevol is.
© 2007 - 2010 Megan, gepubliceerd in Geld (Financieel) op 02-06-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Megan is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Geld, wat is dat opa?"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.