Geld en Economie

Economie: de Keynesiaanse geldtheorie / het IS-LM model

Economie: de Keynesiaanse geldtheorie / het IS-LM model

De Keynesiaanse geldtheorie probeert aan te geven op welke wijze de geldvoorziening de bedrijvigheid beïnvloedt. Centraal in deze theorie staat de wijze waarop de interestvoet de investeringen beïnvloedt. Deze wordt bepaald door de vraag en het aanbod van geld. De wisselwerking tussen geldvoorziening en de bedrijvigheid blijkt uit het IS-LM model


De Keynesiaanse interesttheorie

Interest is de prijs voor (leen)geld. De interest wordt bepaald door de vraag naar en het aanbod van geld.

De vraag naar geld
Volgens Keynes zijn er drie motieven waarom de economische subjecten over geld wensen te beschikken (geld vragen):
  • het transactiemotief: voor het doen van dagelijkse aankopen dient men over geld te beschikken. Dit worden de actieve kasvoorraden genoemd.
  • het voorzorgsmotief: men wenst over contant geld te beschikken in verband met mogelijke plotselinge uitgaven.
  • het speculatiemotief: men beschikt over kasgeld in afwachting van rentestijgingen.

De gelden die men aanhoudt op grond van het voorzorgsmotief en het speculatiemotief worden -tijdelijk- niet in het economische verkeer gebruikt. Deze gelden zijn inactief.

Het aanbod van geld
Het aanbod van geld wordt in hoofdzaak door de monetaire autoriteiten (met name De Nederlandsche Bank), die het aanbod van (leengeld) door de verschillende economische sectoren (gezinnen, bedrijven, waaronder banken en het buitenland) in de door hen wenselijk geachte richting trachten te sturen.

Model
Een vraag-aanbodmodel, waarin de liquiditeitsvoorkeurmotieven van Keynes een rol spelen, kan de volgende gedaante hebben.

(1) L1 = l1Y (0<l1<1)
(2) L2 = l2R + L0 (l2<0; l0>0)
(3) L = L1 + L2
(4) M = M0
(5) L = M

betekenis symbolen:
L1 = de vraag naar actief geld
L2 = de vraag naar inactief geld
l1 en l2 = coëfficiënten
L0 = een autonoom bedrag
R = de interestvoet
M = het geld aanbod

De vergelijkingen (1), (2) en (3) geven de vraag naar geld weer op grond van het transactiemotief (L1) en het voorzorgs- en speculatiemotief (L2).
Vergelijking (4) geeft het aanbod van geld weer en vergelijking (5) is de evenwichtsvoorwaarde.

Het IS-LM model
Het IS-LM model

Het IS-LM model

De wisselwerking tussen geldvoorziening en de bedrijvigheid blijkt uit het volgende model.

Reële sfeer
(1) S = sY - C0 (o<s,1; Co≥0)
(2) I = iR + Io (i<0;Io≥0)
(3) I = S

Monetaire sfeer
(4) L = l1Y + l2R + Lo (0<l1<1; l2<0; Lo>0)
(5) M = Mo (Mo≥0)
(6) L = M

Uit de vergelijkingen (1), (2) en (3) volgt

(7) R = (s ÷ i)Y - (Co + Io) ÷ i

Vergelijking (7) wordt de I = S -vergelijking genoemd. Deze geeft alle combinaties van de interestvoet en het nationale inkomen, waarbij de reële sfeer in evenwicht is.

Uit de vergelijkingen (4), (5) en (6) volgt

(8) R = -(l1 ÷ l2)Y + (Mo - Lo) ÷ l2

Vergelijking (8) wordt de L = M -vergelijking genoemd. Deze geeft alle combinaties van de interestvoet en het nationale inkomen, waarbij de monetaire sfeer in evenwicht is.

Uit (7) en (8) volgt de evenwichtswaarde van het nationale inkomen:

(9) Y (gemiddeld) = (l2 ÷ (sl2 + il1))(Co + Io) + (i ÷ (sl2 + il1))(Mo - Lo)

In vergelijking (9) kunnen worden onderscheiden:
  • een reële multiplier: ΔY (gemiddeld) ÷ ΔIo = l2 ÷ (sl2 + il1)
  • een monetaire multiplier: ΔY (gemiddeld) ÷ ΔMo = i ÷ (sl2 + il1)

Meer over economie is te lezen in mijn special De economische wetenschap - Wat houdt economie in?
© 2008 - 2010 Etsel, gepubliceerd in Geld (Financieel) op 23-09-2008, laatst gewijzigd op 23-09-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Etsel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Economie: de Keynesiaanse geldtheorie / het IS-LM model"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.