Kosten en kostprijs: De productietechniek

Kosten en kostprijs: De productietechniek

Bij de bepaling van de kosten van een product gaan we steeds uit van de normatieve voorgecalculeerde kosten, of in andere woorden de standaardkosten. Deze standaardkosten zijn niet zo eenvoudig te bepalen omdat een product vaak op meerdere manieren geproduceerd kan worden.

Keuze uit meerdere productietechnieken

Vaak zijn er verschillende productietechnieken beschikbaar om een en het zelfde product te produceren. Hierbij kent iedere productietechniek haar eigen specifieke hoeveelheid productiemiddelen die verbruikt moeten worden om het eindproduct tot stand te brengen. Indien de ondernemer rationeel handelt, en dit wordt in de bedrijfseconomie als uitgangspunt gehanteerd, zal gekozen worden voor de productietechniek die leidt tot de laagste kostprijs per eenheid. Echter moet het begrip ‘laagste kostprijs’ hier als een relatief begrip worden opgevat. De laagst mogelijke kostprijs kan namelijk leiden tot een eindproduct van een dusdanige slechte kwaliteit dat het bijna onverkoopbaar is en hierdoor kan de naam van de onderneming vervuild worden. Beter is het dan ook om te stellen dat gekozen moet worden voor de goedkoopste productietechniek waarbij het eindproduct kwalitatief gezien juist aan de gestelde eisen en verwachtingen voldoet. Hierbij is de gekozen productietechniek niet bindend. Zo kan door prijsveranderingen van bij de productie verbruikte productiemiddelen een dusdanige situatie ontstaan waarbij het voor de ondernemer voordeliger is om op een andere productietechniek over te stappen. Sterke veranderingen van de prijzen van bepaalde productiemiddelen kunnen zelfs leiden tot innovaties die weer kunnen resulteren tot een nieuwe productietechniek waarbij op bepaalde dure productiemiddelen kan worden bespaard. Als voorbeeld kan hier dienen de oliecrisis uit de jaren 70 die tot gevolg had dat de prijzen van ruwe olie bijzonder scherp stegen. Deze prijsstijging hadden tot gevolg dat er nieuwe productietechnieken worden ontwikkeld waardoor het verbruik van olie lager werd per prestatie.

Ondernemersverlies

Het begrip ondernemersverlies zal ik toelichten door middel van een voorbeeld.
Stel dat we de keuze hebben uit 2 productietechnieken (techniek A en techniek B) om een zowel technisch als kwalitatief gezien gelijkwaardig product te vervaardigen. Bij beide technieken wordt voor de eenvoud uitsluitend gebruik gemaakt van arbeid en grondstof.

Bij de toepassing van techniek A is 1 uur arbeid en 2 kg grondstof nodig om een eindproduct te vervaardigen. Bij techniek B zijn deze hoeveelheden 0,5 uur arbeid en 3 kg grondstof.
De prijs van arbeid is 40 euro per uur, de prijs van de grondstof 30 euro per kg.

Het eindproduct kan dus met beide technieken worden gemaakt en is zoals gezegd ongeacht de toegepaste techniek gelijkwaardig. Daarom zal de ondernemer logischerwijs kiezen voor de techniek met de laagste kosten per eenheid.

Techniek A kost: 1 x 40 euro + 2 x 30 euro = 100 euro per product
Techniek B kost: 0,5 x 40 euro + 3 x 30 euro = 110 euro per product

Indien de ondernemer rationeel handelt, zal zijn keuze uitgaan naar techniek A.
Indien, ondanks de uitkomst, toch gekozen zou worden voor techniek B, zal de kostprijs toch op 100 euro moeten worden gesteld. De extra uitgegeven 10 euro is een verlies wegens een ondoelmatige productiemethode omdat de productie niet rationeel plaats vindt. Zo’n verlies noem je een ondernemersverlies.

Ondernemersliezen ontstaan dus wanneer steeds niet gekozen wordt voor de meest doelmatige productiemethode.

Veranderen van productietechniek

Veranderingen in de prijsverhouding van productiemiddelen kunnen leiden tot een overstap naar een andere productietechniek. In het vorige deelonderwerp zijn 2 technieken besproken die we in dit onderwerp gaan onderzoeken op bij welke prijzen van de productiemiddelen het punt wordt bereikt waarop de overstap van de gekozen technieken A naar B, uit kostenoverwegingen, aantrekkelijk is.

We gaan er van uit dat de prijs van arbeid gaat stijgen en de prijs van grondstof gelijk blijft. Het duurder worden van arbeid zal op den duur leiden tot een overstap naar de techniek waarbij de minste arbeidsuren nodig zijn. In het algemeen kan gesteld worden dat bij stijging van de prijs van een productiemiddel, ondernemingen zullen zoeken naar technieken waarbij op dit duurder geworden productiemiddel kan worden bespaard.

Het uitgangspunt was:
Techniek A: 1 uur arbeid en 2 kg grondstof
Techniek B: 0,5 uur arbeid en 3 kg grondstof

Het omslagpunt, dit is het punt waarop de overstap naar een andere productietechniek voordeliger wordt, ligt daar waar techniek A even duur is als techniek B. Hiervoor moeten we dus een vergelijking oplossen:

1a + (2 x 30) = 0,5a + (3 x 30)
1a + 60 = 0,5a + 90
0,5a + 60 = 90
0,5a = 30
a = 30/0,5 = 60
a = 60euro

Op het moment dat de prijs van arbeid 60 euro per uur wordt, terwijl de prijs van de grondstof 30 euro per kg blijft, zijn beide technieken even duur en maakt het dus niet uit voor welke techniek gekozen wordt. Men is dat indifferent ten aanzien van de keuze van techniek. Wanneer arbeid duurder wordt dan 60 euro per uur, zal de onderneming op techniek B overstappen omdat deze techniek minder van dit dure productiemiddel gebruik maakt en dus goedkoper is.

Uit het verkregen antwoord blijkt dat het omslagpunt ligt bij een prijs van 30 euro voor de grondstof en 60 euro voor arbeid. Op het omslagpunt is een uur arbeid dus twee keer zo duur als een kg grondstof. Deze constatering kan gebruikt worden om een algemene uitspraak te doen met betrekking tot de overstap van de ene naar de andere techniek.

Overstappen van techniek A naar techniek B bespaart 0,5 uur arbeid, maar kost 1 kg extra grondstof. Wil de overstap gunstig uitpakken, dan moet op zijn minst de besparing op arbeid opwegen tegen de extra uitgaven voor grondstof. De overstap kan dus gemaakt worden vanaf het moment dat een half uur arbeid even duur is als 1 kg grondstof. Op het omslagpunt is arbeid per uur twee maal zo duur als grondstof per kg.
Concluderend kan gesteld worden dat het omslagpunt voor de keuze tussen de twee gegeven productietechnieken steeds ligt op het punt waar:

Prijs arbeid per uur / prijs grondstof per uur = 2

Wanneer de verhouding groter is dan 2, kiest een ondernemer voor techniek B (minder arbeid nodig); als de verhouding onder de 2 ligt, wordt gekozen voor techniek A.
De conclusies die zojuist getrokken zijn, kunnen hun nut bewijzen wanneer we de prijzen van de beide productiemiddelen tegelijk laten veranderen. We zouden bijvoorbeeld kunnen stellen dat beide technieken even duur zijn bij een prijs van arbeid van 48 euro per uur en een prijs van grondstof van 24 euro per kg (de verhouding tussen de prijzen is dan 2). Wanneer de prijs van arbeid op 45 euro zou liggen en de prijs van grondstof op 25 euro. Ligt de prijsverhouding onder de 2 en wordt dus voor techniek A gekozen. Deze beweringen kunnen gecontroleerd worden door de gegeven prijzen in beide productietechnieken in te vullen.
© 2011 - 2012 Danny-vellinga, gepubliceerd in Administratie (Financieel) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Danny-vellinga is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Kostprijsberekening Altijd al eens willen weten hoe de kostprijs van een product berekend wordt, of de kostprijs van een…
Kosten en kostprijs: Indeling en fuctie van de kostprijs Om een eindproduct te vervaardigen is het onvoldoende om alleen…
Kosten en kostprijs: Het vaststellen van de kostprijs Ondernemingen gebruiken de productiefactoren die zij tot hun beschi…
De kostensoorten: Kosten van grond, grond- en hulpstoffen Het gebruik van de grond, grondstoffen en het verbruik van hulp…
De kostensoorten: De kosten van belasting en vermogen In dit artikel bespreek ik 2 belangrijke kostencategorieën namelijk…

Reageer op het artikel "Kosten en kostprijs: De productietechniek"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • http://www.lweo.nl/696.html
  • http://repub.eur.nl/res/pub/14665/1941Economist.pdf
Infoteur: Danny-vellinga
Rubriek: Financieel / Administratie
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!